"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 

Woensdag in week 1 door het jaar
Overweging bij de lezing van vandaag
H. Cyprianus (ca. 200-258), bisschop van Carthago en martelaar
Het Gebed van de Heer, 29-30

“In alle vroegte, het was nog nacht, stond Hij op, ging naar buiten naar een eenzame plaats en bleef daar bidden”

      Niet alleen in woorden, maar ook in daden heeft de Heer ons bidden geleerd. Vaak zien we Hem in gebed en door de getuigenis van zijn eigen voorbeeld  toont hij wat ons te doen staat. Er staat geschreven: “Maar Hij trok zich telkens terug in de eenzaamheid om te bidden” (Lc 5,16) en elders: “In die dagen ging Hij naar het gebergte om te bidden, en bracht er de hele nacht door in gebed tot God” (Lc 6,12).  Als zelfs Hij die zonder zonden is zo bad, hoeveel te meer hebben zondaars dan niet redenen tot bidden?  En als Hij de gehele nacht zonder ophouden waakte en in gebed was, hoeveel te meer hebben wij dan niet redenen om in aanhoudend gebed de nacht te doorwaken?

      De Heer bad en smeekte niet voor zichzelf – voor welke schuld zou de onschuldige vergeving moeten vragen? – maar voor ons, schuldenaars.  Dat maakt Hij ook bekend wanneer Hij tot Petrus zegt: “Satan heeft geĂ«ist jullie te mogen ziften als het koren. Ik heb voor je gebeden dat je geloof niet zou bezwijken” (Lc 22,31). En even later bemiddelt Hij als voorspreker bij de Vader voor ons allen: “Niet alleen voor hen bid Ik, maar ook voor al degenen die door hun woord in Mij geloven: dat ze allen Ă©Ă©n mogen zijn. Zoals U, Vader, in Mij bent en Ik in U“ (Joh 17,20-21).

      Zo groot is de barmhartigheid en de liefde van de Heer omwille van ons heil, dat Hij er zich niet tevreden mee heeft gesteld om ons met zijn bloed vrij te kopen, maar dat Hij ook voor ons heeft willen bidden. En waarvoor bad Hij? Zijn dierbaarste wens was dat ook wij, zoals de Vader en de Zoon Ă©Ă©n zijn, deel uit zouden maken van die eenheid!



 
©Evangelizo.org 2001-2017