"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68



Vul Uw e-mail in


Bevestig Uw e-mail

















 

Vrijdag onder het octaaf van Pasen

Uit de Handelingen der apostelen 4,1-12.
In die dagen, toen Petrus en Johannes na de genezing van de lamme nog tot het volk spraken,
kwamen de priesters, de bevelhebber van de tempel en de Saddu­ceeen op hen af.
Verontwaardigd dat zij het volk onderricht gaven en in Jezus de opstan­ding uit de doden verkondig­den,
legden ze de hand op hen en namen hen in verzeker­de bewaring tot de volgende dag, omdat het al avond was.
Velen echter van hen die de toespraak gehoord hadden, namen het geloof aan en het aantal mannen steeg tot ongeveer vijfduizend.
De volgende dag kwamen hun overheden, oudsten en schriftge­leerden in Jeruzalem bijeen,
tezamen met de hogepries­ter Annas en met Kajafas, Johannes, Alexander en allen die tot het hogepries­terlijk geslacht behoorden.
Zij lieten hen voorleiden en vroegen: 'Door welke kracht of in welke naam hebt ge dat gedaan?'
Toen sprak Petrus, vervuld van de heilige Geest, tot hen: 'Overheden van het volk en oudsten!
Indien wij vandaag ter verantwoor­ding geroepen worden voor een weldaad aan een gebrekkige bewezen, waardoor deze genezen is,
dan moet gij allen en het gehele volk van Israël weten, dat door de naam van Jezus Christus, de Nazoreeer,
die gij gekruisigd hebt maar die God uit de doden heeft doen opstaan: dat door die Naam deze man hier gezond voor u staat.
Hij is de steen die door u, de bouwlieden, niets waard werd geacht en toch tot hoeksteen geworden is.
Bij niemand anders is dan ook de redding te vinden en geen andere Naam onder de hemel is aan de mensen gegeven waarin wij gered moeten worden.'

Psalmen 118(117),1-2.4.22-24.25-27a.
Loof de Heer, want Hij is goed,
eindeloos is zijn erbarmen.
Herhaalt het, stammen van Israël
eindeloos is zijn erbarmen!
Herhaalt het, dienaren van de Heer
eindeloos is zijn erbarmen!

De steen die de bouwers hebben versmaad,
die is tot hoeksteen geworden.
Het is de Heer, die dit heeft gedaan,
een wonder voor onze ogen.
Dit is de dag, die de Heer heeft gemaakt :
wij zullen hem vieren in blijdschap.

Ach Heer, geef ons uw heil,
ach Heer, geef ons voorspoed.
Gezegend wie komt met de naam van de Heer.
Wij zegenen U vanuit het huis van de Heer.
De Heer is God, Hij heeft ons licht gebracht.



Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes 21,1-14.
In die tijd verscheen Jezus opnieuw aan de leerlingen bij het meer van Tiberias. De verschijning verliep op deze wijze:
Er waren bijeen: Simon Petrus, Tomas, die ook Didymus genoemd wordt,
Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedëus en nog twee van zijn leerlingen.
Simon Petrus zei tot hen: 'Ik ga vissen.' Zij antwoordden: 'Dan gaan wij mee.'
Zij gingen dus op weg en klommen in de boot, maar ze vingen die nacht niets.
Toen het reeds morgen begon te worden, stond Jezus aan het strand, maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was.
Jezus sprak hen aan: 'Vrienden, hebben jullie soms wat vis?' 'Neen,' antwoord­den ze.
Toen zei Hij hun: 'Werpt het net uit rechts van de boot, daar zult ge iets vangen.' Nadat ze dit gedaan hadden, waren ze niet meer bij machte het net op te halen vanwege de grote hoeveel­heid vissen.
Daarop zei de leerling van wie Jezus veel hield tot Petrus: 'Het is de Heer!' Toen Simon Petrus hoorde
dat het de Heer was, trok hij zijn bovenkleed aan ‑ want hij droeg slechts een onderkleed ‑ en sprong in het meer.
De andere leerlin­gen kwamen met de boot, want zij waren niet ver uit de kust,
slechts tweehonderd el, en sleepten het net met de vissen achter zich aan.
Toen zij aan land waren gestapt, zagen zij dat er een houtskool­vuur was aangelegd met vis er op en brood.
Jezus sprak tot hen: 'Haalt wat van de vis, die gij juist gevan­gen hebt.'
Simon Petrus ging weer aan boord en sleepte het net aan land. Het was vol grote vissen,
hon­derddrieenvijftig stuks, en ofschoon het er zoveel waren, scheurde het net niet.
Jezus zei hun: 'Komt ontbij­ten.' Wetend dat het de Heer was, durfde geen van de leerlingen Hem vragen: 'Wie zijt Gij?'
Jezus trad dichterbij, nam het brood, en gaf het hun, en zo ook de vis.
Dit nu was de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen sinds Hij uit de doden was opgestaan.



Bron : Petrus Canisius bijbelvertaling & vernieuwingen




Overweging bij de lezing van vandaag : H. Gregorius van Narek
"Toen de morgen was aangebroken, stond Jezus aan het strand"



 
©Evangelizo.org 2001-2017