"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68



Vul Uw e-mail in


Bevestig Uw e-mail

















 

Maandag in week 15 door het jaar

Uit het boek Exodus 1,8-14.22.
In die dagen kwam er in Egypte een nieuwe koning aan de macht, die Jozef niet gekend had.
Hij zei tegen zijn volk: ‘De Israëlieten zijn te sterk voor ons en te talrijk.
Laten we verstandig handelen en voorkomen dat dit volk nog groter wordt. Want stel dat er oorlog uitbreekt
en zij zich aansluiten bij onze vijanden, de strijd tegen ons aanbinden en uit het land wegtrekken!’
Er werden slavendrijvers aangesteld die de Israëlieten tot zware arbeid dwongen.
Ze moesten voor de farao de voorraadsteden Pitom en Raämses bouwen.
Maar hoe meer de Israëlieten onderdrukt werden, des te talrijker werden ze.
Ze breidden zich zo sterk uit dat de Egyptenaren een afkeer van hen kregen.
Daarom beulden ze hen af en maakten ze hun het leven ondraaglijk met zwaar werk:
ze moesten stenen maken van klei en op het land werken, en ze werden voortdurend mishandeld.
Toen gaf de farao aan heel zijn volk het bevel om alle Hebreeuwse jongens die geboren werden
in de Nijl te gooien; de meisjes mochten in leven blijven.

Psalmen 124(123),1-3.4-6.7-8.
Was de Heer niet met ons geweest,
zo mag Israël zeggen,
was de Heer niet met ons geweest,
toen de mensen tégen ons waren,
ze hadden ons levend verslonden,
zo hevig was hun woede.

Dan had het water ons meegesleurd,
de stroom ons overspoeld.
Wij zouden zijn overspoeld
door het ziedende water.
Geprezen de Heer,
die ons niet ten prooi gaf aan hun tanden.

Wij zijn als een vogel ontsnapt
uit het net van de vogelvangers,
het net is gescheurd en wij,
wij zijn ontkomen.
Onze hulp is de naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft.


Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 10,34-42.11,1.
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Denkt niet, dat Ik vrede ben komen brengen op aarde; Ik ben geen vrede komen brengen, maar het zwaard.
Tweedracht ben Ik komen brengen tussen een man en zijn vader, tussen dochter en moeder, schoon­dochter en schoon­moeder;
en iemands huisge­noten zullen zijn vijanden zijn.
Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig.
En wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waardig.
Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden.
Wie u opneemt, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Hem op die mij gezonden heeft.
Wie een profeet opneemt, omdat het een profeet is, zal ook het loon van een profeet ontvangen; en wie een deugdzaam mens opneemt, omdat het een deugdzaam mens is, zal ook het loon van een deugdzame ontvangen.
En wie een van deze kleinen al was het maar een beker koud water geeft, omdat hij mijn leerling is, voorwaar, Ik zeg u: Zijn loon zal hem zeker niet ontgaan.'
Toen Jezus zijn lessen aan zijn twaalf leerlingen had geeindigd, vertrok Hij vandaar om te onderrichten en te prediken in hun steden.



Bron : Petrus Canisius bijbelvertaling & vernieuwingen




Overweging bij de lezing van vandaag : H. Johannes Chrysostomus
" Wie slechts een beker koud water te drinken geeft aan een dezer kleinen ... hem zal zijn loon niet ontgaan"



 
©Evangelizo.org 2001-2017