"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 

NEGENTIENDE ZONDAG DOOR HET JAAR

Uit het 1e boek der Koningen 19,9a.11-13a.
In die dagen kwam de profeet Elia bij de berg Horeb, de berg van God. Daar ging hij een grot binnen en overnachtte daar. Nu werd het woord van de Heer tot hem gericht: Wat komt gij hier doen, Elia?
Ga naar buiten en treed voor de Heer op de berg. Toen trok de Heer voorbij. Voor de Heer uit ging een zware storm,
die bergen deed splijten en rotsen verbrijzelde. Maar de Heer was niet in de storm, die de bergen deed splijten en rotsen verbrijzelde.
Op de storm volgde een aardbeving. Maar ook in de aardbeving was de Heer niet.
Op de aardbeving volgde vuur. Maar ook in het vuur was de Heer niet. Op het vuur volgde het suizen van een zachte bries.
Zodra Elia dit hoorde, bedekte hij zijn gelaat met zijn mantel, ging naar buiten, en bleef staan aan de ingang van de grot.

Psalmen 85(84),9ab-10.11-12.13-14.
Aanhoren wil ik wat God ons zegt.
De Heer spreekt woorden van vrede.
Voor wie Hem eren is zijn hulp nabij:
zijn glorie komt wonen in ons land.

Trouw en waarheid omhelzen elkaar,
recht en vrede begroeten elkaar met een kus.
Uit de aarde bloeit de waarheid op,
het recht ziet uit de hemel toe.

De Heer geeft al het goede:
ons land zal vruchten geven.
Het recht gaat voor God uit
en baant voor Hem de weg.


Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome 9,1-5.
Broeders en zusters, ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet,
mijn geweten waarborgt het mij in de heilige Geest:
in mijn hart is grote droefheid en een pijn die niet ophoudt.
Waarlijk, ik zou wensen zelf vervloekt en van Christus gescheiden te zijn,
als ik mijn broeders en stamverwanten daarmee kon helpen.
Immers, zij zijn Israelieten, hun behoort de aanne­ming tot zonen,
de heerlijkheid, de verbonden, de wetge­ving, de eredienst en de beloften;
van hen zijn de aartsvaders en uit hen komt de Christus voort naar het vlees.
God, die boven alles verhe­ven is, zij gezegend tot in eeuwigheid! Amen.

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 14,22-33.
Na de broodvermenigvuldiging dwong Jezus zijn leerlingen in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen, terwijl Hij het volk naar huis zou zenden.
Toen Hij het volk had weggezon­den, ging Hij de berg op om in afzondering te bidden. De avond viel en Hij was daar alleen.
De boot was reeds vele stadien uit de kust en werd geteisterd door de golven, want zij hadden tegenwind.
In de vierde nachtwake kwam Hij te voet over het meer naar hen toe.
Maar toen de leerlingen Hem zo over het meer zagen gaan, raakten zij van streek omdat zij een spook meenden te zien en zij begonnen van angst te schreeu­wen.
Maar Jezus zei onmiddellijk tot hen: 'Weest gerust. Ik ben het. Vreest niet.'
'Heer', antwoordde Petrus,'als Gij het zijt, zeg mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen.'
Waarop Jezus sprak: 'Kom!' Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe.
Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was, werd hij bang; hij begon te zinken en schreeuwde: 'Heer, red mij!'
Terstond stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast, terwijl hij tot hem zei: 'Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?'
Nadat zij in de boot gestapt waren, ging de wind liggen.
De inzittenden wierpen zich voor Hem neer en zeiden: 'Waar­lijk. Gij zijt de Zoon van God.'



Bron : Petrus Canisius bijbelvertaling & vernieuwingen




Overweging bij de lezing van vandaag : Origines
"Waarachtig, U bent de Zoon van God"



 
©Evangelizo.org 2001-2017