"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 

Donderdag in week 27 door het jaar

Uit de profeet Maleachi 3,13-20a.
Uw woorden ergeren Mij, zegt de Heer. Gij vraagt:
'Wat was er in onze gesprekken dan tegen u gericht?'
Gij hebt gezegd: 'Het is zinloos God te dienen. Wat winnen wij ermee,
dat wij zijn geboden onderhouden en voor de Heer van de machten in boetekleren lopen?
Het is immers zo, dat wij degenen die God trotseren gelukkig prijzen;
degenen die kwaad doen gaat het voor de wind
en degenen die God verzoeken brengen het er goed af.'
Toen spraken degenen die de Heer vrezen met elkaar. En de Heer heeft geluisterd
en het gehoord. En voor zijn aangezicht werd een gedenkschrift opgesteld
aangaande hen die de Heer vrezen, hen die zijn naam eerbiedigen.
Zij zullen mijn eigendom zijn, zegt de Heer van de machten, op de dag, die Ik ga maken.
Dan zal Ik hen sparen, zoals een man zijn zoon spaart, wanneer die hem dient.
Dan zult gij opnieuw het verschil zien tussen de rechtvaardige en de boosdoener,
tussen degene die God dient en degene die Hem niet dient.
Want weet wel: hij gaat komen, de dag, die zal branden als een oven.
Al degenen die God trotseren en al degenen die kwaad doen, zij worden kaf.
De dag die gaat komen, steekt hen in brand ‑ zegt de Heer van de machten ‑
de dag, die wortel noch tak van hen overlaat.
Maar voor u, die mijn naam vreest, gaat dan de zon van de gerechtigheid op,
die met haar vleugels genezing brengt.

Psalmen 1,1-2.3.4.6.
Gelukkig de man die weigert te doen,
wat goddelozen hem raden;
die niet de wegen der zondaars gaat,
niet zit te midden der spotters.
maar die zijn geluk vindt in s'Heren wet,
haar dag en nacht overweegt.

Hij is als een boom, aan het water geplant,
die vruchten draagt op zijn tijd;
des zomers verdorren zijn bladeren niet,
maar al wat hij doet brengt hem voorspoed.

De goddelozen vergaat het zo niet:
de wind blaast hen weg als kaf.
De Heer immers let op de weg der gerechten,
de weg van de zondaars loopt dood.



Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 11,5-13.
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: 'Stel, iemand van u heeft een vriend. Midden in de nacht gaat hij naar hem toe en zegt: Vriend, leen mij drie broden,
want een vriend van mij is van een reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.
Zou die ander van binnen uit dan antwoorden: 'Val me niet lastig, de deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed; ik kan niet opstaan om het je te geven?
Ik zeg u: als hij al niet opstaat en het hem geeft omdat hij zijn vriend is, zal hij toch opstaan en hem geven al wat hij nodig heeft, om zijn onbescheiden aandringen.
Tot u zeg Ik hetzelfde: Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan.
Want al wie vraagt, verkrijgt; wie zoekt, vindt; en voor wie klopt, wordt opengedaan.
Is er soms onder u een vader die aan zijn zoon een steen zal geven, als deze hem om brood vraagt? Of als hij om vis vraagt, zal hij hem toch in plaats van vis geen slang geven?
Of als hij een ei vraagt, zal hij hem toch geen schorpioen geven?
Als gij dus, ofschoon ge slecht zijt, goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen.'



Bron : Petrus Canisius bijbelvertaling & vernieuwingen




Overweging bij de lezing van vandaag : Simeon de Nieuwe Theoloog
"Hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan wie tot Hem bidden"



 
©Evangelizo.org 2001-2017