"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Vrijdag, 13 Januari 2017
Vrijdag in week 1 door het jaar



Uit de brief aan de Hebreeën 4,1-5.11.
Broeders en zusters, aangezien de belofte om binnen te gaan in Gods rust nog steeds van kracht is, moeten we ervoor waken dat iemand van u ook maar de schijn wekt deze gelegenheid aan zich voorbij te laten gaan.
Want aan ons is het goede nieuws verkondigd, net als indertijd aan hen; maar anders dan voor wie het in geloof aannemen, was het verkondigde woord voor hen niet heilzaam.
Omdat wij echter geloven, gaan we binnen in de rust waarvan eerder sprake was: ‘In mijn toorn heb ik gezworen: “Nooit zullen ze binnengaan in mijn rust,”’ – en dat terwijl zijn werk toch al met de grondvesting van de wereld voltooid werd!
Over de zevende dag wordt immers ergens gezegd: ‘En op de zevende dag rustte God van al zijn werk,’
terwijl hier wordt gezegd: ‘Nooit zullen ze binnengaan in mijn rust.’
Laten we dus alles op alles zetten om te kunnen binnengaan in die rust, en zo voorkomen dat ook maar iemand dit voorbeeld van ongehoorzaamheid volgt en te gronde gaat.


Psalmen 78(77),3.4bc.5.6.7.
Wij hebben het gehoord, wij weten het,
onze ouders hebben het ons verteld.
wij zullen aan het komend geslacht vertellen.
De wonderen die Hij heeft gedaan.

Hij stelde een richtlijn vast voor Jakob
en kondigde in Israël een wet af.
Onze voorouders gaf hij de opdracht
die aan hun kinderen te leren.

Zo zou het volgende geslacht ervan weten,
en zij die nog geboren moesten worden,
zouden het weer aan hun kinderen vertellen.

Dan zouden zij op God vertrouwen,
Gods grote daden niet vergeten
en zich richten naar zijn geboden.




Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 2,1-12.
Toen Jezus enige dagen later in KafarnaĂŒm was terugge­keerd, en men hoorde dat Hij thuis was,
stroomden de mensen in zulk een aantal samen, dat zelfs de ruimte voor de deur
geen plaats meer bood toen Hij hun zijn leer verkondig­de.
Men kwam een lamme bij Hem brengen, die door vier mannen gedragen werd.
Omdat zij wegens de menigte geen mogelijkheid zagen hem dicht bij Jezus te brengen,
legden ze het dak bloot boven de plaats waar Hij zich bevond,
maakten er een opening in en lieten het bed, waarop de lamme uitgestrekt lag, zakken.
Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tot de lamme: 'Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven.'
Er zaten enkele schrift­geleerden bij en dezen zeiden bij zichzelf:
'Wat zegt die man daar? Hij spreekt godslas­terlijk! Wie anders kan er zonden vergeven dan God alleen?
Uit zichzelf wist Jezus aanstonds dat zij zo redeneer­den, en Hij zei hun: 'Wat redeneert gij toch bij uzelf?
Wat is gemakkelij­ker, tot de lamme te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of: Sta op, neem uw bed op en loop?
Welnu, opdat ge zult weten, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde zonden te verge­ven, sprak Hij tot de lamme:
Ik zeg u, sta op, neem uw bed mee en ga naar huis.'
Hij stond op, nam zijn bed en voor aller ogen ging hij onmiddellijk naar buiten. Iedereen stond er versteld van,
en ze verheerlijkten God en zeiden: 'Zoiets hebben wij nog nooit gezien.'






 
©Evangelizo.org 2001-2017