"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Maandag, 16 Januari 2017
Maandag in week 2 door het jaar



Uit de brief aan de Hebreeën 5,1-10.
Broeders en zusters, wie uit het volk tot hogepriester wordt gekozen, wordt aangesteld
om tussen God en de mensen te bemiddelen, om gaven en offers te brengen voor de zonden.
Doordat hij zelf aan zwakheden ten prooi kan vallen, is hij bij machte begrip op te brengen voor hen die uit onwetendheid dwalen,
en daarom moet hij niet alleen offers opdragen voor de zonden van het volk maar ook voor zijn eigen zonden.
Niemand kan zich die waardigheid toe-eigenen, men wordt daartoe door God geroepen, zoals ook met Aäron gebeurde
Christus heeft zich de eer hogepriester te worden evenmin zelf verleend, dat deed degene die tegen hem zei: ‘Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt.’
Ergens anders zegt Hij iets vergelijkbaars: ‘Jij zult voor eeuwig priester zijn, zoals ook Melchisedek dat was.’
Christus heeft tijdens zijn leven op aarde onder tranen en met luide stem gesmeekt en gebeden tot Hem
die Hem kon redden van de dood, en werd verhoord vanwege zijn diep ontzag voor God.
Hoewel Hij zijn Zoon was, heeft Hij moeten lijden,
en zo heeft Hij gehoorzaamheid geleerd.
En toen Hij naar de uiteindelijke volmaaktheid gevoerd was,
werd Hij voor allen die Hem gehoorzamen een bron van eeuwige redding,
omdat God Hem heeft uitgeroepen tot hogepriester zoals Melchisedek dat was.


Psalmen 110(109),1.2.3.4.
De Heer sprak tot mijn Heer: zit aan mijn rechterhand,
Ik leg uw vijanden als voetbank voor uw voeten.’

Uit Sion reikt de Heer u de scepter van uw macht,
regeer te midden van uw tegenstanders.

Uw volk staat om U heen in blanke wapenrusting,
de jongen mannen op het veld als morgendauw.

Gezworen heeft de Heer, het zal Hem niet berouwen:
Gij zijt voor eeuwig priester als Melchisédek.




Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 2,18-22.
Toen de leerlingen van Johannes en de Farizeeën eens een vasten­dag hielden, kwam men Jezus vragen:
'Waarom vasten de leerlingen van Johannes en die van de Farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?'
Jezus sprak tot hen: 'Kunnen dan de vrienden van de bruidegom vasten, terwijl de bruidegom bij hen is?
Zolang zij de bruidegom in hun midden hebben, kunnen ze niet vasten.
Er zullen echter dagen komen dat de bruide­gom van hen is weggeno­men en dan, in die tijd, zullen ze vasten.
Niemand naait een verstellap van ongekrompen stof op een oud kleed.
Anders trekt het ingezette stuk eraan, het nieuwe aan het oude, en de scheur wordt nog groter.
En niemand doet jonge wijn in oude zakken, anders doet de wijn de zakken bersten
en de wijn gaat verloren met de zakken. Neen, jonge wijn in nieuwe zakken.'






 
©Evangelizo.org 2001-2017