"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68



Vul Uw e-mail in


Bevestig Uw e-mail

















 
Donderdag, 19 Januari 2017
Donderdag in week 2 door het jaar



Uit de brief aan de Hebreeën 7,25-28.8,1-6.
Broeders en zusters, ieder die door Christus tot God komt, kan Hij volkomen redden, omdat Hij voor altijd leeft en zo voor hen kan pleiten.
Een hogepriester als Hij hadden we ook nodig, iemand die heilig, schuldeloos en zuiver is, van de zondaars afgescheiden en ver boven de hemel verheven.
Hij hoeft niet, zoals de andere hogepriesters, elke dag eerst offers op te dragen voor zijn eigen zonden en dan voor die van het volk;
dat heeft Hij immers voor eens en altijd gedaan toen Hij het offer van zijn leven bracht.
De wet stelt mensen aan als hogepriester, en mensen zijn behept met zwakheid, maar met de bekrachtiging onder ede
die later werd uitgesproken dan de wet, is de Zoon aangesteld, die voor altijd de volmaaktheid heeft bereikt.
De kern van mijn betoog is dat wij een hogepriester hebben die in de hemel plaatsgenomen heeft aan de rechterzijde van de troon van Gods majesteit
en die de dienst vervult in het ware heiligdom, de tent die door de Heer en niet door mensenhanden is opgericht.
Iedere hogepriester wordt aangesteld om gaven en offers op te dragen, en dus heeft ook Hij iets nodig dat Hij kan opdragen.
Op aarde zou Jezus geen priester zijn, want daar zijn al priesters die offergaven opdragen zoals de wet dat voorschrijft.
Zij verrichten hun dienst in wat de afspiegeling en de voorafschaduwing is van het hemelse heiligdom,
zoals dat aan Mozes geopenbaard werd toen hij begon met het oprichten van de tabernakel: ‘Let erop,’ staat er immers,
‘dat je alles vervaardigt volgens het ontwerp dat je op de berg getoond is.
Maar Jezus is dus aangesteld voor een eerbiedwaardiger dienst, in die zin dat hij bemiddelaar is van een beter verbond,
dat zijn wettelijke grondslag heeft gekregen in betere beloften.


Psalmen 40(39),7-8.9.10.17.
Gij hebt geen offer of geschenk gewild,
Gij hebt mijn oor geopend;
Gij vraagt geen brandoffer, geen zoenoffer van mij,
dus zei ik: ja, ik kom, zoals van mij geschreven staat:

dat ik uw wil volbreng.
Mijn God, dat is het wat ik wil,
uw wet staat in mijn hart geschreven.
Aan velen heb ik uw rechtvaardigheid bekendgemaakt,

ik hield mijn lippen niet gesloten, Heer, Gij weet het.
Nooit heb ik uw rechtvaardigheid verborgen in mijn hart,
Laat jubelen van blijdschap die U zoeken

en steeds getuigen: 'Groot is God!' ,

die uitzien naar uw heil.




Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 3,7-12.
In die tijd trok Jezus met zijn leerlingen weg in de richting van het meer,
maar een grote volksme­nigte uit Galilea ging Hem achterna; er kwamen ook vele mensen uit Judea,
Jeruzalem, Iduma, het Overjor­daanse en uit de streek rond Tyrus en Sidon tot Hem, omdat ze hoorden wat Hij allemaal deed.
Hij droeg zijn leerlingen op te zorgen dat er een bootje voor Hem bij de hand was, als voorzorg tegen het opdringen van de menigte.
Want Hij had er velen genezen, met het gevolg dat allen die aan kwalen leden, op Hem aandrongen om Hem aan te raken.
Zelfs de onreine geesten vielen, als zij Hem zagen, voor Hem neer en schreeuwden: 'Gij zijt de Zoon van God.'
Maar Hij verbood hun nadrukkelijk Hem bekend te maken.






 
©Evangelizo.org 2001-2017