"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Zondag, 22 Januari 2017
DERDE ZONDAG DOOR HET JAAR



Uit profeet Jesaja 8,23.9,1-3.
In vroeger tijd is er oneer gebracht over het land van Zebulon en Naftali, maar in de toekomst
zal eer bewezen aan de kuststreek, het Overjordaanse en het domein van andere volken.
Het volk dat in duisternis ronddoolt ziet een schitterend licht. Zij die in het donker wonen worden door een helder licht beschenen.
U hebt het volk weer groot gemaakt, diepe vreugde gaf U het,
blijdschap als de vreugde bij de oogst, zij jubelen als bij het verdelen van de buit.
Het juk dat op hen drukte, de stok op hun schouder,
de zweep van de drijver, U hebt ze verbrijzeld, zoals Midjan destijds.


Psalmen 27(26),1.4.13-14.
De Heer is mijn licht en mijn leidsman,
wie zou ik vrezen?
De Heer is de schuts van mijn leven,
voor wie zou ik bang zijn?

Eén ding slechts vraag ik de Heer,
meer zal ik niet wensen:
dat ik in Gods huis mag wonen zolang als ik leef.
Dat ik de beminnelijkheid van de Heer mag ervaren,
zijn tempel weer met eigen ogen mag zien.

Ik reken er op nog tijds mijn leven,
de weldaden van de Heer te ervaren.
Zie uit naar de Heer en houd dapper stand,
wees moedig van hart en vertrouw op de Heer.




Uit de 1e brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte 1,10-13.17.
Broeders, ik doe een beroep op u in de naam van onze Heer Jezus Christus: weest allen eensgestemd, laat er geen verdeeldheid onder u zijn; weest volkomen een van zin en een van gevoelen.
Er is mij namelijk door de huisgenoten van Chloe over u verteld, broeders, dat er onenigheid onder u heerst,
Ieder van u schijnt zijn eigen leus te hebben: «Ik ben van Paulus.»«Ik van Apollos.»«Ik van Kefas.»«Ik van Christus.»
Is Christus dan in stukken verdeeld? Is Paulus voor u gekruisigd? Of zijt gij gedoopt in de naam van Paulus?
Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen. Hij heeft mij gezonden om het evangelie te verkondigen, en dat niet met wijsheid van woorden; anders zou het kruis van Christus zijn kracht verliezen.


Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 4,12-23.
Toen Jezus vernam dat Johannes was gevangen genomen, week Hij uit naar Galilea.
Met voorbijgaan echter van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaum aan de oever van het meer, in het grensgebied van Zebulon en Naftali,
opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet Jesaja:
Land van Zebulon, land van Naftali, liggend aan de zee, Overjordanie: Galilea van de heidenen!
Het volk dat in de duisternis zat, heeft een groot licht aan­schouwd; en over hen
die in het land van de schaduw van de dood gezeten waren, over hen is een licht opgegaan.
Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: 'Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij.'
Eens toen Hij zich bij het meer van Galilea ophield, zag Hij twee broers, Simon die Petrus wordt genoemd en diens broer Andreas, bezig met het net uit te werpen in het meer. Zij waren namelijk vissers.
En Hij sprak tot hen: 'Komt, volgt Mij: Ik zal u vissers van mensen maken.'
Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem.
Iets verder zag Hij nog twee broers, Jakobus en diens broer Johannes;
met hun vader Zebedeus waren zij in de boot de netten een het klaarma­ken. Hij riep hen,
en onmiddellijk lieten zij de boot en hun vader achter en volgden Hem.
Jezus trok rond door geheel Galilea, terwijl Hij als leraar optrad in hun synagogen,
de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen onder het volk genas.






 
©Evangelizo.org 2001-2017