"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Maandag, 30 Januari 2017
Maandag in week 4 door het jaar



Uit de brief aan de Hebreeën 11,32-40.
Broeders en zusters, wat valt hier nog aan toe te voegen? De tijd ontbreekt me om te vertellen over Gideon
en Barak, Simson en Jefta, David en Samuël, en over de profeten,
die door hun geloof koninkrijken overwonnen, gerechtigheid lieten gelden, en kregen wat hun beloofd was; die leeuwen de muil toeklemden,
aan vuur de laaiende kracht ontnamen en ontkwamen aan de houw van het zwaard; die hun zwakheid krachtig overwonnen,
in de oorlog machtige helden werden en vijandelijke legers op de vlucht joegen.
Vrouwen kregen hun doden terug doordat die uit de dood opstonden. Anderen werden gemarteld tot de dood erop volgde
en wilden van geen vrijlating weten, omdat ze uitzagen naar een betere opstanding.
Weer anderen kregen te maken met bespotting en geseling, zelfs met arrestatie en gevangenschap.
Ze werden gestenigd of doormidden gezaagd, of stierven door een moordend zwaard.
Ze zwierven rond in schapenvachten of geitenvellen, berooid, vernederd en mishandeld.
Ze doolden door verlaten oorden en berggebieden en verscholen zich in grotten en holen onder de grond. Ze waren voor de wereld te goed.
Al deze mensen, die van oudsher om hun geloof geprezen worden, hebben de belofte niet in vervulling zien gaan
omdat God voor ons iets beters had voorzien, en hij hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken.


Psalmen 31(30),20.21.22.23.24.
Hoe groot zijn uw weldaden, Heer,
die Gij hebt bestemd voor hen die U vrezen
Gij schenkt ze aan ieder die tot U komt,
voor alle mensen waarneembaar.

De glans van uw Aanschijn beschermt hem altijd
als mensen zich tegen hem keren.
Gij neemt hem op in uw tent,
beschut tegen kwade tongen.

Gezegend de Heer, want zijn wonderen goedheid
heeft mij beschermd als een vestingstad
Verslagen en moedeloos heb ik gezegd:
Gij hebt mij geheel uit het oog verloren.

Maar neen, Gij hebt mijn smeken gehoord
mijn stem toen die luid tot U riep.

Bemint dan de Heer, al zijn vromen,
de Heer behoedt alwie trouw blijft aan Hem.
Maar wie zich in hoogmoed tegen Hem keert
betaalt Hij met woeker terug.




Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 5,1-20.
In die tijd kwamen Jezus en zijn leerlingen aan de overkant van het meer in het land van de Gerasenen.
Nauwelijks was Hij uit de boot gestapt, of daar liep Hem uit de grotspelonken een man tegemoet die in de macht was van een onreine geest.
Hij huisde in de graven en niemand was meer in staat hem zelfs met een ketting te boeien,
want al meermalen was hij in voet ‑ en handboeien geketend geweest, maar de handboeien had hij uit elkaar getrokken
en de voetboeien verbrijzeld. Niemand was dus bij machte hem te overweldi­gen.
Dag en nacht was hij onafgebroken in de grafspe­lonken en in de bergen aan het schreeuwen en beukte zichzelf met stenen.
Toen hij in de verte Jezus zag, snelde hij op Hem toe en viel Hem te voet.
Luid schreeuwend riep hij: 'Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus,
Zoon van God, de Allerhoogste! Ik bezweer U bij God, kwel mij niet!
Want Hij had hem gezegd: 'Onreine geest, ga weg uit die man.'
Daarop vroeg Hij hem: 'Wat is uw naam?' Hij antwoordde: 'Mijn naam is Legioen, want wij zijn met velen.'
En hij smeekte Hem met aandrang, dat Hij hem niet uit de streek zou wegjagen.
Nu was men daar tegen de berghelling een grote kudde zwijnen aan het hoeden.
Zij smeekten Hem: 'Stuur ons in die zwijnen en laat ons daarin gaan.'
Hij stond het hun toe. De onreine geesten gingen uit de bezetene, voeren in de zwijnen
en de troep stortte zich van de steile oever in het meer, ongeveer tweeduizend en ze verdronken.
De zwijnhoeders namen de vlucht en vertelden het in de stad en op het land.
Daarop kwamen de mensen kijken wat er gebeurd was.
Zij kwamen naar Jezus toe en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand,
dezelfde die in de macht van Legioen geweest was; en ze werden door vrees bevangen.
Die het gezien hadden, verhaal­den hun hoe het gegaan was met de bezetene, en vertelden ook over de zwijnen.
Daarop begonnen zij bij Hem aan te dringen hun streek te verla­ten.
Maar toen Hij in de boot stapte, verzocht de man die bezeten geweest was bij Hem te mogen blijven.
Jezus stond dit echter niet toe, maar zei hem: 'Ga naar huis, naar de uwen
en vertel hun alles wat de Heer aan u gedaan heeft en hoe Hij u barmhar­tig­heid heeft bewezen.'
De man ging heen en begon in Dekapolis alles te verkondigen
wat Jezus aan hem gedaan had; en allen stonden verbaasd.






 
©Evangelizo.org 2001-2017