"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Maandag, 06 Februari 2017
Maandag in week 5 door het jaar



Uit het boek Genesis 1,1-19.
In het begin schiep God hemel en aarde.
Maar de aarde was nog ongeordend en leeg, over de wereldzee heerste duisternis, en Gods Geest zweefde over de wateren.
God sprak: Daar zij licht. En er was licht.
En God zag, dat het licht goed was. Nu scheidde God het licht van de duisternis;
het licht noemde Hij dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Zo werd het avond en morgen: de eerste dag.
God sprak: Er zij een uitspansel tussen de wateren, om de wateren van elkander te scheiden. Zo geschiedde.
God maakte het uitspansel, en scheidde het water onder het uitspansel van het water daarboven;
het uitspansel noemde God hemel. Weer werd het avond en morgen: de tweede dag.
God sprak: Het water onder de hemel moet samenvloeien naar één plaats, zodat het droge te voorschijn komt. Zo geschiedde.
Het droge noemde God aarde, het saamgevloeide water noemde Hij zee. En God zag, dat het goed was.
God sprak: De aarde moet groene planten voortbrengen, zaaddragend gewas en vruchtbomen, die zaadvruchten dragen op aarde, elk naar zijn soort. Zo geschiedde.
De aarde deed groene planten ontspruiten, zaaddragend gewas, en bomen, die zaadvruchten dragen, elk naar zijn soort. En God zag, dat het goed was.
Weer werd het avond en morgen: de derde dag.
God sprak: Er moeten lichten komen aan het hemelgewelf, om de dag en de nacht van elkaar te scheiden; zij moeten ook tot tekenen dienen voor vaste tijden, dagen en jaren;
en als lichten staan aan het hemelgewelf, om de aarde te verlichten. Zo geschiedde.
God maakte de beide grote lichten: het grootste licht om de dag te beheersen, en het kleinste om heerschappij te voeren over de nacht; bovendien de sterren.
God plaatste ze aan het hemelgewelf, om de aarde te verlichten,
om te heersen over de dag en de nacht, en om licht en duisternis van elkander te scheiden. En God zag, dat het goed was.
Weer werd het avond en morgen: dat was de vierde dag.


Psalmen 104(103),1-2a.5-6.10.12.24.35c.33a.
Prijs de Heer, mijn ziel.
Heer, mijn God, hoe groot bent U.
Met glans en glorie bent u bekleed,
in een mantel van licht gehuld.

U hebt de aarde op pijlers vastgezet,
in eeuwigheid wankelt zij niet.
De oerzee bedekte haar als een kleed,
tot boven de bergen stonden de wateren.

U leidt het water van de bronnen door beken,
tussen de bergen beweegt het zich voort.
Daarboven wonen de vogels van de hemel,
uit het dichte groen klinkt hun gezang.

Hoeveel is het wat Gij gedaan hebt, Heer.
en alles in wijsheid gemaakt,
de aarde is vol van uw schepsels.

Prijs de Heer, mijn ziel:
Voor de Heer wil ik zingen zolang ik leef.




Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 6,53-56.
In die tijd toen Jezus en zijn leerlingen overgestoken waren, bereikten zij de kust van Gennesaret en liepen de haven binnen.
Zodra zij uit de boot gestapt waren, herken­den de mensen Hem.
Zij liepen heel de streek af en men begon de zieken op hun bedden naar de plaats te dragen waar men hoorde dat Hij was.
Waar Hij maar binnenkwam, in dorp of stad of gehucht, legde men de zieken op de pleinen en smeekte Hem, of ze tenminste de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En allen die dit deden, werden gezond.






 
©Evangelizo.org 2001-2017