"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Vrijdag, 10 Februari 2017
Vrijdag in week 5 door het jaar



Uit het boek Genesis 3,1-8.
Van alle dieren, die God, de Heer, gemaakt had, was er geen zo sluw als de slang. Ze zei tot de vrouw: “Heeft God werkelijk gezegd dat ge van geen enkele boom in de tuin moogt eten?”
De vrouw zei tot de slang: “Wij mogen wel eten van de vruchten van de bomen in de tuin.
God heeft alleen gezegd: van de vruchten van de boom, die midden in de tuin staat moogt ge niet eten; ge moogt ze zelfs niet aanraken; anders zult ge sterven.”
Maar de slang zei tot de vrouw: “Gij zult helemaal niet sterven.
God weet dat uw ogen open zullen gaan als ge eet van die boom, en dat ge dan gelijk zult worden aan God door de kennis van goed en kwaad.”
Toen zag de vrouw dat het goed eten was van die boom, en dat hij een lust was voor het oog, en hoe aantrekkelijk het was er inzicht door te krijgen. Zij plukte dus een vrucht en zij at ervan; zij gaf er ook van aan haar man, die bij haar stond, en ook hij at ervan.
Nu gingen hun beiden de ogen open en zij ontdekten dat zij naakt waren. Daarom hechtten ze vijgenbladen aaneen en maakten daar lendenschorten van.
Toen de mens en zijn vrouw God, de Heer, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor hem tussen de bomen.


Psalmen 32(31),1bc-2.5.6.7.
Gelukkig degene, wiens schuld werd vergeven,
wiens zonde door God werd bedekt.
Gelukkig de mens die geen schuld heeft bij God,
wiens hart geen misdaad verbergt.

Toen heb ik mijn zonde beleden voor U,
mijn schuld niet langer ontkend.
Ik sprak: voor de Heer beken ik mijn fout;
toen hebt Gij mijn zonde vergeven.

Daarom zal de vrome zich keren tot U
wanneer hij door onheil bedreigt wordt;
al breekt er een stortvloed over hem los
de rampspoed zal hem niet raken.

Mijn toevlucht zijt Gij, mijn redder in nood
Gij hult mij in voorspoed en vreugde.


Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 7,31-37.
In die tijd vertrok Jezus uit de streek van Tyrus , begaf zich over Sidon naar het meer van Galilea, midden in de streek van Dekapolis.
Men bracht een dove bij Hem, die ook moeilijk kon spreken en smeekte Hem dat Hij deze de hand zou opleggen.
Jezus nam hem terzijde buiten de kring van het volk, stak hem de vingers in de oren en raakte zijn tong met speeksel aan.
Vervolgens sloeg Hij zijn ogen ten hemel op, zuchtte en sprak tot hem: 'Effeta ', wat betekent: Ga open.
Terstond gingen zijn oren open en werd de band van zijn tong losgemaakt, zodat hij normaal sprak.
Hij verbood hun het aan iemand te zeggen; maar met hoe meer nadruk Hij dat verbood, des te luider verkondigden zij het.
Buiten zichzelf van verbazing riepen zij uit: 'Hij heeft alles wel gedaan, Hij laat doven horen en stommen spreken.'






 
©Evangelizo.org 2001-2017