"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Vrijdag, 03 Maart 2017
Vrijdag na Aswoensdag



Uit profeet Jesaja 58,1-9a.
Zo spreekt God de Heer: Roep het luide uit, houdt u niet in, verhef uw stem als een ramshoorn. Leg aan mijn volk hun weerspannigheid voor, aan Jakobs huis zijn zonden.
Dag aan dag zoeken zij Mij, verlangend mijn wegen te kennen, als gold het een volk dat gerechtigheid beoefent, en het recht van zijn God niet verwaarloost. Rechtvaardige oordelen vragen zij Mij verlangend naar Gods nabijheid.
'Waarom ziet Gij niet dat wij vasten, merkt Gij niet dat wij ons vernederen?' Op de dag dat gij vast zoekt gij nog uw voordeel, en beult gij uw slaven af.
Gij kijft en krakeelt als gij vast en slaat er boosaardig met uw vuisten op los. Neen, bij een vasten als dit dringt uw stem in den hoge niet door.
Is dat soms het vasten dat Ik verkies, is dat een dag waarop de mens zich vernedert? Zijn hoofd als een riet laten hangen en neerliggen in zak en as: noemt gij dat soms vasten, en een dag die Jahwe behaagt?
Is dit niet het vasten zoals Ik het verkies: boosaardige boeien slaken, de strengen van het juk losmaken, de geknechte de vrijheid hergeven, en alle jukken door te breken?
Is vasten niet dit: uw brood delen met wie honger heeft; arme zwervers opnemen in uw huis; een naakte kleden die gij ziet en u niet onttrekken aan de zorg voor uw broeder?
Dan breekt uw licht als de dageraad door en groeien uw wonden spoedig dicht; dan gaat uw geluk voor u uit, en sluit de Heers glorie uw stoet.
Als gij dan roept, geeft de Heer u antwoord, en smeekt gij om hulp, Hij zal zeggen: 'Hier ben Ik!'


Psalmen 51(50),3-4.5-6ab.18-19.
God, ontferm U over mij in uw barmhartigheid,
delg mijn zondigheid in uw erbarmen.
Was mijn schuld volkomen van mij af,
reinig mij van al mijn zonden.

Ik erken dat ik misdreven heb,
altijd heb ik mijn vergrijp voor ogen.
Jegens U alleen heb ik gezondigd,
wat U tegen staat heb ik gedaan.

In geschenken hebt Gij geen behagen,
wat ik U ook bied, Gij wilt het niet.
Wat ik offer, God, is mijn boetvaardigheid,
een vermorzeld en vernederd hart wijst Gij niet af.



Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 9,14-15.
Op zekere dag kwamen de leerlingen van Johannes tot Jezus met de vraag: 'Waarom vasten wij en de Farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?'
Jezus sprak tot hen: 'De vrienden van de bruidegom kunnen toch niet bedroefd zijn, zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen dagen komen, dat de bruidegom van hen is weggeno­men; dan zullen zij vasten.






 
©Evangelizo.org 2001-2017