"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Woensdag, 15 Maart 2017
Woensdag in week 2 van de Veertigdagentijd



Uit profeet Jeremia 18,18-20.
Die het gemunt hadden op het leven van de profeet zeiden:
'Laten we iets tegen Jeremia ondernemen. Want het onderricht van onze priesters,
de raad van onze wijzen, de verkondiging van onze profeten zullen allerminst verdwijnen.
Kom, we brengen hem in opspraak, we schenken aan zijn woorden niet langer gehoor.”
Heer, luister naar mij, hoor de plannen van mijn tegenstanders.
Mag goed met kwaad worden vergolden? Een kuil hebben ze voor mij gegraven –
en dat terwijl ik voor u stond om voor hen te pleiten, om uw toorn van hen af te wenden.


Psalmen 31(30),5-6.14.15-16.
Het net dat de mensen voor mij spannen,
ontkom ik door U die mijn toevlucht bent.
In uw hand leg ik mijn leven,
Heer, trouwe God, U verlost mij.

Ik hoor de mensen over mij fluisteren,
van alle kanten dreigt gevaar.
Ze steken de hoofden bijeen
en smeden plannen om mij te doden

Maar ik vertrouw op U, Heer,
ik zeg: U bent mijn God,
in uw hand liggen mijn lot en mijn leven,
bevrijd mij uit de greep van mijn vijanden en vervolgers.



Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens MatteĂĽs 20,17-28.
Toen Jezus van plan was naar Jeruzalem te gaan nam Hij de twaalf apart en onder­weg sprak hij tot hen:
'Wij gaan nu naar Jeruzalem, waar de Mensen­zoon aan de hogepries­ters en schriftgeleer­den zal worden overgeleverd. Zij zullen Hem ter dood veroordelen
en aan de heidenen overleveren om Hem te bespotten, geselen en kruisigen, maar op de derde dag zal Hij verrijzen.'
Toen­dertijd trad de moeder van de zonen van Zebedeus samen met hen op Jezus toe en wierp zich voor zijn voeten om Hem iets te vragen.
Hij sprak tot haar: 'Wat verlangt ge?' Zij antwoordde Hem: 'Laat deze twee jongens van mij in uw Koninkrijk zitten, een aan uw rechter ‑ en een aan uw linkerhand.'
Maar Jezus antwoordde: 'Gij weet niet wat ge vraagt. Zijt gij in staat de beker te drinken die Ik ga drinken?' Zij zeiden hem: 'Ja, dat kunnen wij.'
Hij sprak: 'Inder­daad, mijn beker zult gij drinken, maar het is niet aan Mij u te doen zitten aan mijn rechter ‑ of linkerhand, omdat alleen zij dit verkrijgen voor wie mijn Vader dit heeft bereid.'
Toen de tien anderen dit hoorden, werden zij kwaad op de beide broers.
Jezus echter riep hen bij zich en sprak: 'Gij weet, dat de heersers der volkeren hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen.
Dit mag bij u niet het geval zijn; wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn,
en wie onder u de eerste wil zijn, moet slaaf van u wezen,
zo­als ook de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.'






 
©Evangelizo.org 2001-2017