"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68



Vul Uw e-mail in


Bevestig Uw e-mail

















 
Zondag, 26 Maart 2017
VIERDE ZONDAG VAN DE VEERTIGDAGENTIJD - Zondag "laetare"



Uit het 1e boek Samuël 16,1b.6-7.10-13a.
In die dagen zei de Heer tot SamuĂ«l: “Vul een hoorn met olie: Ik zend u naar IsaĂŻ, de Betlehemiet, want Ă©Ă©n van zijn zonen heb ik voor het koningschap bestemd.”
Bij hun aankomst viel zijn oog meteen op Eliab, en hij zei bij zichzelf: Hij die daar klaarstaat is vast en zeker degene die de Heer wil zalven.
Maar de Heer zei tegen SamuĂ«l: ‘Ga niet af op zijn voorkomen en zijn rijzige gestalte. Ik heb hem afgewezen.
Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer kijkt naar het hart.’
Zo stelde Isaï zijn zeven zonen aan Samuël voor, maar telkens zei Samuël dat dit niet degene was die de Heer gekozen had.
‘Zijn dit alle zonen die u heeft?’ vroeg hij. ‘Nee,’ antwoordde Isaï, ‘de jongste is er niet bij, die hoedt de schapen en de geiten.’
Toen zei SamuĂ«l tegen IsaĂŻ: ‘Laat hem hier komen. We beginnen niet aan de maaltijd voordat hij er is.’
Isaï liet hem halen. Het was een knappe jongen met rossig haar en sprekende ogen. En de Heer zei: ‘Hem moet je zalven. Hij is het.’
Samuël nam dus de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Sedert die dag was de geest van de Heer vaardig over David.


Psalmen 23(22),1-3a.3b-4.5.6.
De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort;
Hij laat mij weiden op groene velden.

Hij brengt mij aan water, waar ik kan rusten,
Hij geeft mij weer frisse moed.

Mijn schreden leidt Hij langs rechte paden,
omwille van zijn Naam.

Al voert mijn weg door donkere kloven,
ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt.

Uw stok en uw herdersstaf,
geven mij moed en vertrouwen.

Gij nodigt mij aan tafel
tot ergernis van mijn bestrijders.

Met olie zalft Gij mijn hoofd,
mijn beker is overvol.

Voorspoed en zegen verlaten mij nooit
elke dag van mijn leven.

Het huis van de Heer zal mijn woning zijn
voor alle komende tijden.




Uit de brief van de heilge apostel Paulus aan de christenen van Efeze 5,8-14.
Eens waart gij duisternis, nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer. Leeft dan ook als kinderen van het licht,
en de vrucht van het licht kan alleen maar zijn: goedheid, gerechtigheid, waar­heid.
Tracht te ontdekken wat de Heer behaagt.
Neemt geen deel aan hun duistere en onvruchtbare praktij­ken, brengt ze liever aan het licht.
Wat deze lieden in het geheim doen is te schandelijk om ook maar over te spreken.
Alles echter wat aan het licht wordt gebracht, komt in het licht tot helderheid.
En alles wat verhel­derd wordt is zelf ‘licht’ gewor­den. Zo zegt ook de hymne: «Ontwaak, slaper, sta op uit de dood, en Christus’ licht zal over u stra­len.’«


Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes 9,1-41.
In het voorbijgaan zag Hij een man die blind was van zijn geboorte af.
Zijn leerlingen vroegen Hem: 'Rabbi, wie heeft gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?'
Jezus antwoordde: 'Noch hij noch zijn ouders hebben gezondigd, maar de werken Gods moeten in hem openbaar worden.
Wij moeten de werken van Hem die Mij gezonden heeft, verrichten zolang het dag is. Er komt een nacht en dan kan niemand werken.
Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld.'
Toen Hij dit gezegd had, spuwde Hij op de grond, maakte met het speeksel slijk, bestreek daarmee de ogen van de man
en zei tot hem: 'Ga u wassen in de vijver van de Siloam,' ‑ wat betekent: gezondene ‑. Hij ging er naar toe, waste zich en kwam er ziende vandaan.
Zijn buren nu en degenen die hem vroeger hadden zien bedelen, zeiden: 'Is dat niet de man, die zat te bedelen?'
Sommigen zeiden: 'Inder­daad, hij is het.' Anderen: 'Neen, hij lijkt alleen maar op hem.' Hijzelf zei: 'Ik ben het.'
Toen vroegen ze hem: 'Hoe zijn dan uw ogen geopend?'
Hij antwoordde: 'De man die Jezus heet, maakte slijk, bestreek daarmee mijn ogen en zei tot mij: Ga naar de Siloam en was u. Ik ben dus gegaan, waste mij en kon zien.'
Ze vroegen hem toen: 'Waar is die man?' Hij zei: 'Ik weet het niet.'
Men bracht nu de man die blind geweest was bij de Farizeeën;
de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen geopend waren, was namelijk een sabbat.
Ook de Farizeeën vroegen hem dus, hoe hij het gezicht herkre­gen had. Hij zei hun: 'Hij deed slijk op mijn ogen, ik waste mij en ik zie.'
Toen zeiden sommige Farizeeën: 'Die man komt niet van God, want Hij onderhoudt de sabbat niet.' Anderen zeiden: 'Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?' Zo was er verdeeldheid onder hen.
Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen: 'Wat zegt gijzelf van Hem, daar Hij u toch de ogen geopend heeft?' Hij antwoordde: 'Het is een profeet.'
De Joden wilden niet van hem aannemen, dat hij blind was geweest en het gezicht herkregen had, eer zij de ouders van de genezene hadden laten komen.
Zij stelden hun toen de vraag: 'Is dit uw zoon, die volgens uw zeggen blind geboren is? Hoe kan hij dan nu zien?'
Zijn ouders antwoordden: 'Wij weten, dat dit onze zoon is en dat hij blind is geboren,
maar hoe hij nu zien kan, weten wij niet; of wie zijn ogen geopend heeft, wij weten het niet. Vraagt het hemzelf, hij is oud genoeg en zal zelf zijn woord wel doen.'
Zijn ouders zeiden dit omdat zij bang waren voor de Joden, want de Joden hadden reeds afgesproken dat alwie Hem als Messias beleed uit de synagoge gebannen zou worden.
Daarom zeiden zijn ouders: 'Hij is oud genoeg, vraagt het hemzelf.'
Voor de tweede maal riepen zij nu de man die blind was geweest bij zich en zeiden hem: 'Geef eer aan God. Wij weten dat die man een zondaar is.'
Hij echter antwoordde: 'Of Hij een zondaar is, weet ik niet, Een ding weet ik wel: dat ik blind was en nu zie.'
Daarop vroegen zij hem wederom: 'Wat heeft Hij met u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?'
Hij antwoordde: 'Dat heb ik al verteld, maar gij hebt niet geluisterd. Waarom wilt gij het opnieuw horen. Wilt gij ook soms leerlingen van Hem worden?
Toen zeiden zij smalend tot hem: 'Jij bent een leerling van die man, wij zijn leerlingen van Mozes.
Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft maar van deze weten wij niet waar Hij vandaan is.'
De man gaf hun ten antwoord: 'Dit is toch wel wonderlijk, dat gij niet weet vanwaar Hij is; en Hij heeft mij nog wel de ogen geopend.
Wij weten dat God niet naar zondaars luistert, maar als iemand godvrezend is en zijn wil doet, dan luistert Hij naar zo iemand.
Nooit in der eeuwig­heid heeft men gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend.
Als deze man niet van God kwam, had Hij zo iets nooit kunnen doen.'
Zij voegden hem toe: 'In zonden ben je geboren, zo groot als je bent, en jij wilt ons de les lezen?' Toen wierpen ze hem buiten.
Jezus vernam dat men hem buiten geworpen had en toen Hij hem aantrof, zei Hij: 'Gelooft ge in de Mensen­zoon?'
Hij antwoord­de: 'Wie is dat, Heer? Dan zal ik in Hem geloven.'
Jezus zei hem: 'Gij ziet Hem, het is Degene, die met u spreekt.'
Toen zei hij: 'Ik geloof, Heer.' En hij wierp zich voor Hem neer.
En Jezus sprak: 'Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat de niet‑zienden zouden zien en de zienden blind worden.'
Enkele Farizeeën die bij Hem stonden, hoorden dit en zeiden tot Hem: 'Zijn ook wij soms blind?'
Jezus antwoordde: 'Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben, maar nu gij zegt: wij zijn blind, blijft uw zonde.'






 
©Evangelizo.org 2001-2017