"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Dinsdag, 28 Maart 2017
Dinsdag in week 4 van de Veertigdagentijd



Uit de profeet Ezechiël 47,1-9.12.
In die dagen bracht een engel van de Heer mij naar de ingang van de tempel. Daar zag ik
hoe er van onder de drempel van de tempel water stroomde in oostelijke richting;
de voorzijde van de tempel lag namelijk op het oosten. Het water vloeide
onder de rechtervleugel van de tempel door, aan de zijde van het altaar.
Daarop leidde hij mij door de noorderpoort naar buiten. Hij voerde mij buitenom
naar de oostzijde: het water stroomde van onder de rechtervleugel.
Toen ging hij met een duimstok in de hand verder in oostelijke richting. Hij mat een afstand af
van duizend el en liet mij vervolgens door het water stappen: het reikte tot aan mijn enkels.
Opnieuw mat hij duizend el af en liet hij mij door het water waden: het kwam tot aan mijn knieën;
en hij mat nog eens duizend el af en liet mij weer door het water waden: nu kwam het tot aan mijn middel.
Toen hij nog eens duizend el afgemeten had, was het water een rivier geworden waar ik niet meer
door heen kon waden; het water was zo diep, dat men er niet stappend, maar alleen zwemmend door kon komen.
Toen vroeg hij mij: “Ziet ge dat, mensenkind?” Daarna leidde hij mij terug langs de oever van de rivier.
Terwijl hij mij terugvoerde, zag ik hoe er op beide oevers van de rivier heel veel bomen stonden.
De engel van de Heer zei mij: “De rivier stroomt naar de vlakte in het oosten, en verder stroomt hij naar de Araba,
om vervolgens uit te monden in de Zoutzee waarvan het water drinkbaar wordt.
Overal waar de rivier stroomt, zullen de waterdieren in leven kunnen blijven. Er zal heel veel vis zijn,
want overal waar de rivier komt, zal het water drinkbaar worden, en zal alles in leven blijven.
Op beide oevers van de rivier zullen allerlei vruchtbomen opschieten
waarvan de bladeren niet verwelken, en de vruchten niet opraken;
want de bomen zullen elke maand vruchten dragen.
Zij worden immers gevoed met water uit de tempel.
De vruchten zullen dienen als voedsel en de bladeren als geneesmiddel.”


Psalmen 46(45),2-3.5-6.8-9.
De Heer is voor ons een vesting en toevlucht,
een machtige hulp in de nood.
Zo zijn wij niet bang, al kantelt de aarde,
al vallen de bergen in zee.

Een klaterend beekje verkwikt Gods stad,
het heilig verblijf van de Allerhoogste.
Die stad staat onwrikbaar, want God is daarbinnen,
God staat haar terzij als de dag begint.

De Heer van de hemelse legers is met ons,
een veilige burcht is ons Jakobs God.
Komt nader en ziet wat de Heer heeft gedaan,
zijn wondere werken op aarde.



Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes 5,1-16.
Omdat er een feest van de Joden was, ging Jezus, op naar Jeruzalem.
Nu is er in Jeruzalem bij de Schaapspoort een badinrichting, in het Hebreeuws Betesda geheten, met vijf zuilengangen.
In die gangen lag altijd een groot aantal gebrekkigen: blinden, lammen en mensen met verschrompelde ledematen (te wachten op het in beweging komen van het water,
Van tijd tot tijd daalde namelijk een engel in het bad neer en bracht het water in beroering.
Wie dan het eerst na de beweging van het water er inging, werd genezen, wat voor kwaal hij ook had).
Nu was daar een man die al achtendertig jaar lang gebrek­kig was.
Jezus zag hem liggen en omdat Hij wist dat hij reeds lang zo lag, zei Hij tot hem: 'Wil je gezond worden?'
De zieke gaf Hem ten antwoord: 'Heer, ik heb niemand om mij, wanneer het water bewogen wordt, in het bad te brengen en terwijl ik ga, daalt een ander voor mij er in af.'
Daarop zei Jezus hem: 'Sta op, neem je bed op en loop.'
Op slag werd de man gezond. Hij nam zijn bed op en liep. Die dag was het echter sabbat
en daarom zeiden de Joden tot de genezene: 'Het is sabbat, je mag je bed niet dragen.'
Hierop antwoordde hij hun: 'Die mij gezond heeft gemaakt, Die heeft gezegd: Neem je bed op en loop!
Daarom vroegen zij hem: 'Wie is die man die je zei: Neem je bed op en loop?'
De genezene wist niet wie het was, want Jezus had zich ongemerkt teruggetrok­ken, omdat er veel volk ter plaatse was.
Later trof Jezus hem in de tempel en sprak tot hem: 'Zie, je bent nu genezen! Zondig niet meer, opdat je niets ergers overkomt.'
De man ging heen en vertelde aan de Joden, dat het Jezus was die hem genezen had.
Omdat Jezus dergelijke dingen op sabbat deed, begonnen de Joden Hem te vervol­gen.






 
©Evangelizo.org 2001-2017