"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68



Vul Uw e-mail in


Bevestig Uw e-mail

















 
Donderdag, 30 Maart 2017
Donderdag in week 4 van de Veertigdagentijd



Uit het boek Exodus 32,7-14.
In die tijd sprak de Heer tot Mozes: “Ga naar beneden, want het volk dat gij uit Egypte hebt geleid is tot zonde vervallen.
Ze zijn nu al afgeweken van de weg, die Ik hun had voorgeschreven, ze hebben een stierenbeeld gemaakt,
ze buigen zich daarvoor neer, ze dragen er offers voor op en schreeuwen: Israël, dit is de god, die u uit Egypte heeft geleid.”
Ook sprak de Heer tot Mozes: “Ik zie nu hoe halsstarrig dit volk is.
Laat Mij begaan, dan kan Ik hen in mijn brandende toorn vernietigen. Maar van u zal Ik een groot volk maken.”
Mozes trachtte de Heer, zijn God, gunstig te stemmen en vroeg: “Waarom Heer, uw toorn laten woeden tegen uw volk dat Gij met grote kracht en sterke hand uit Egypte hebt geleid?
tegen het volk dat Gij met grote kracht en sterke hand uit Egypte hebt geleid?
Waarom de Egyptenaren laten honen: Hij heeft ze laten gaan met de boze opzet ze in de bergen
te laten omkomen en ze van de aarde weg te vagen? Laat toch uw toorn niet langer tegen hen woeden. Zie af van het onheil waarmee Gij uw volk bedreigt.
Denk aan uw dienaren Abraham, Isaäk en Israël, aan wie Gij onder ede beloofd hebt.
Ik zal uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en heel het land waarover Ik heb gesproken,
zal Ik uw nakomelingen voor altijd in bezit geven. Het zal voor eeuwig hun erfdeel zijn.”
Toen zag de Heer af van het onheil waarmee Hij zijn volk had bedreigd.


Psalmen 106(105),19-20.21-22.23.
Zij maakten een heilig kalf bij de Horeb,
en wierpen zich neer voor een afgietsel van goud;
Hun Glorie ruilden zij tegen een afgod,
het beeld van een grasetend rund.

Zij waren vergeten dat God hen gered had,
Hij die in Egypte zijn macht had getoond;
die wonderdaden verricht had in Cham
en bij de Rietzee verbazende dingen.

Hij dacht er al aan hen los te laten
toen Mozes, zijn vriend, tussenbeide kwam.
Die pleitte voor hen om hen niet te verdelgen
en wendde Gods toorn van hen af.



Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes 5,31-47.
In die tijd sprak Jezus tot de Joden: Als Ik over Mijzelf getuig, dan heeft mijn getuigenis geen waarde.
Er is een ander de over mij getuigt, en Ik weet dat de getuigenis die Hij over Mij aflegt, geloofwaar­dig is.
Gij hebt een gezantschap naar Johannes gestuurd en deze heeft getuigd voor de waarheid.
Weliswaar behoef Ik de getuigenis van een mens niet, maar Ik zeg dit opdat gij gered zult worden.
Hij was de lamp, ontstoken om te verlichten, en een korte tijd hebt gij u in zijn licht willen verheugen.
De getuigenis echter die Ik bezit, is waardevoller dan die van Johannes, want het zijn juist de werken die de Vader Mij gegeven heeft om te volbrengen en die Ik ook volbreng, die van Mij getuigen, dat Ik door de Vader gezonden ben.
Ook de Vader zelf die Mij zond, heeft getuigenis over Mij afgelegd. Zijn stem hebt gij nimmer gehoord noch zijn gestalte gezien, en
zijn woord hebt gij niet blijvend in u, omdat gij Degene die Hij zond niet gelooft.
Gij onder­zoekt de Schriften in de mening daarin eeuwig leven te vinden, maar juist dezen getuigen over Mij.
En toch wilt gij niet tot Mij komen om het leven te vinden.
Ik zoek niet door de mensen geëerd te worden,
maar Ik weet dat gij in uw hart geen liefde tot God hebt.
Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader en toch aanvaardt Gij Mij niet. Komt een ander in zijn eigen naam, dan zult gij hem wel aanvaarden.
Maar hoe zoudt gij ook kunnen geloven als gij van elkaar eer tracht te verwerven, terwijl gij de eer die van de enige God komt, niet zoekt?
Meent niet, dat Ik u bij de Vader zal aanklagen. Er is al iemand die u aanklaagt: Mozes, op wie gij uw hoop hebt gesteld.
Want als ge Mozes zoudt geloven, zoudt ge ook Mij geloven, want juist over Mij heeft hij geschreven.
Als ge niet gelooft wat hij schreef, hoe zoudt ge dan geloven wat Ik spreek?'






 
©Evangelizo.org 2001-2017