"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68



Vul Uw e-mail in


Bevestig Uw e-mail

















 
Vrijdag, 31 Maart 2017
Vrijdag in week 4 van de Veertigdagentijd



Lezing uit het boek der Wijsheid 2,1a.12-22.
In valse waan zeggen de goddelozen tot elkaar:
“Laten wij de rechtvaardige belagen, want hij is van geen nut, hij gaat in tegen onze werken,
hij verwijt ons zonden tegen de wet, hij beschuldigt ons van overtredingen tegen onze opvoeding.
Hij wendt voor kennis van God te bezitten en hij noemt zich een kind van de Heer;
hij is ons tot een verwijt tegen onze opvattingen geworden, alleen al hem te zien is ons een last,
want zijn levensstijl is anders dan van anderen en zijn gedrag is ongewoon,
als valse munt beschouwt hij ons, hij mijdt onze wegen alsof ze onrein waren,
hij noemt het einde der rechtvaardigen zalig, hij beroemt er zich op dat God zijn vader is.
Laten wij zien of zijn woorden waar zijn, en nemen wij als proef wat bij zijn heengaan gebeurt.
Want als de rechtvaardige Gods zoon is, zal Hij hem te hulp komen
en hem redden uit de hand van zijn tegenstanders.
Laten wij met brutaliteit en kwelling hem aanpakken, om te zien
of hij werkelijk zachtmoedig is en om zijn geduld te toetsen.
Laten wij hem tot een schandelijke dood veroordelen, hij zal immers,
naar zijn zeggen, toch beschermd worden."
Zo redeneerden ze, maar daarmee waren ze op een dwaalspoor, want hun slechtheid verblindde hen.
Zij verstonden Gods geheimen niet, zij hoopten niet op loon voor een heilig leven, noch geloofden zij in een ereprijs voor smetteloze zielen.


Psalmen 34(33),17-18.19-20.21.23.
Van boosdoeners keert Hij zijn aangezicht af,
zij worden op aarde vergeten.
Naar vromen die roepen luistert de Heer
en redt hen uit iedere nood.

De Heer is nabij voor rouwmoedige harten,
hij helpt wie zijn schuld erkent.
Veel rampen zullen de vrome bedreigen,
uit elk daarvan redt hem de Heer.

De Heer zal over zijn beenderen waken,
opdat hij er geen van breekt.
De Heer redt het leven van wie Hem dient,
al wie tot Hem vlucht heeft geen straf te duchten.



Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes 7,1-2.10.25-30.
In die tijd trok Jezus rond in Galilea, want Hij wilde dat niet in Judea doen, omdat de Joden er op uit waren Hem te doden.
Toen het echter tegen een van de Joodse feesten, het Loofhutten­feest liep,
Toen echter zijn broeders naar het feest waren gegaan, vertrok Hij ook, niet openlijk maar onopvallend.
Enkele Jeruzalemmers zeiden:
'Is dit niet de man die ze zoeken te doden? En nu zie eens. Hij staat in het openbaar te spreken en men zegt Hem niets! Zou de overheid nu werkelijk erkend hebben, dat Hij de Messias is?
Maar van deze man weten wij waar Hij vandaan is, wanneer echter de Messias komt, weet geen mens waar Hij vandaan komt.'
Terwijl Jezus in de tempel leerde, riep Hij met luider stem: 'Gij kent mij en gij weet waar Ik vandaan ben; toch ben Ik niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij die waarachtig is, heeft Mij gezonden, Hem kent gij niet.
Ik ken Hem, omdat Ik uit Hem ben en Hij Mij heeft gezonden.'
Ze wilden zich van Hem meester maken, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want zijn uur was nog niet gekomen.






 
©Evangelizo.org 2001-2017