"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Zondag, 02 April 2017
VIJFDE ZONDAG VAN DE VEERTIGDAGENTIJD



Uit de profeet Ezechi√ęl 37,12-14.
Zo spreekt de Heer: ‚ÄúIk ga uw graven openen; in de massa's zal Ik u uit uw graven wegvoeren en u brengen naar de grond van Isra√ęl.
En wanneer Ik dan uw graven geopend heb en u in massa's zal hebben weggevoerd uit uw graven, zult gij weten dat Ik de Heer ben.
Mijn geest zal Ik over u uitstorten en gij zult leven; Ik zal u vestigen op uw eigen grond en gij zult weten dat Ik de Heer ben: Wat Ik zeg, dat volbreng Ik!‚ÄĚ Zo luidt de godsspraak van de Heer.


Psalmen 130(129),1-2.3-4ab.4c-6.7-8.
Uit de diepte roep ik,
Heer, luister naar mijn stem.

luister naar mijn stem.
Wil aandachtig horen

naar mijn smeekgebed.
Als Gij zonden blijft gedenken,

Heer, wie houdt dan stand?
Maar bij U vind ik vergeving,

daarom zoekt mijn hart naar U.
Op de Heer stel ik mijn hoop,

op zijn woord vertrouw ik.
Gretig zie ik naar Hem uit

meer dan wachters naar de ochtend.
Meer dan wachters naar de ochtend,

Want de Heer is steeds barmhartig,
zijn genade onbeperkt.

Hij zal Isra√ęl verlossen
van zijn ongerechtigheid.




Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome 8,8-11.
Broeders en zusters, zij die volgens het vlees leven, kunnen God niet behagen.
Maar uw bestaan wordt niet beheerst door het vlees, doch door de Geest, omdat de Geest van God in u woont.
Zou iemand de Geest van Christus niet hebben, dan behoort hij Hem niet toe.
Als Christus in u is, blijft uw lichaam wel door de zonde de dood gewijd,
maar uw geest leeft, dank zij de gerechtigheid.
En als de Geest van Hem die Jezus van de doden heeft opgewekt, in u woont,
zal Hij die Christus Jezus van de doden heeft doen opstaan, ook uw sterfelijk lichaam
eenmaal levend maken door de kracht van zijn Geest, die in u verblijft.


Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes 11,1-45.
Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanie, het dorp van Maria en haar zuster Marta.
Maria was de vrouw die de Heer met geurige olie had gezalfd en zijn voeten met haar haren had afgedroogd. De zieke Lazarus was haar broer.
De zusters stuurden Hem nu de boodschap: 'Heer hij die Gij liefhebt, is ziek.'
Toen Jezus dit hoorde, zei Hij: 'Deze ziekte voert niet tot de dood, maar is om Gods glorie, opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden.'
Jezus hield veel van Marta, haar zuster en Lazarus.
Toen Hij dan ook hoorde dat hij ziek was, bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter plaatse,
maar daarna zei Hij tot zijn leerlingen: 'Laat ons weer naar Judea gaan.'
De leerlingen zeiden: 'Rabbi, nog pas probeerden de Joden U te stenigen en gaat Gij er nu weer heen?
Jezus antwoordde: 'Heeft de dag geen twaalf uren? Overdag kan iemand gaan zonder zich te stoten, omdat hij het licht van deze wereld ziet.
Maar gaat iemand 's nachts dan stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is.'
Zo sprak Hij. En Hij voegde er aan toe: 'Onze vriend Lazarus is ingeslapen, maar Ik ga er heen om hem te wekken.'
Zijn leerlingen merkten op: 'Heer, als hij slaapt, zal hij beter worden.'
Jezus had echter van zijn dood gesproken, terwijl zij meenden dat Hij over de rust van de slaap sprak.
Daarom zei Jezus hun toen ronduit: 'Lazarus is gestorven,
en omwille van u verheug ik Mij dat ik er niet was, opdat gij moogt geloven. Maar laat ons naar hem toegaan.'
Toen zei Tomas, bijgenaamd Didymus, tot zijn medeleerlingen: 'Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.'
Bij zijn aankomst bevond Jezus dat hij al vier dagen in het graf lag.
Betanie nu was dichtbij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadien.
Vele Joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten over het verlies van hun broer.
Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was, ging zij Hem tegemoet; Maria echter bleef thuis.
Marta zei tot Jezus: 'Heer, als Gij hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn.
Maar zelfs nu weet ik, dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven.'
Jezus zei tot haar: 'Uw broer zal verrijzen.'
Marta antwoordde: 'Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijze­nis op de laatste dag.'
Jezus zei haar: 'Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven,
en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?'
Zij zei tot Hem: 'Ja, Heer ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die in de wereld komt.'
Na deze woorden ging zij haar zuster Maria roepen en zei zachtjes: 'De Meester is er en vraagt naar je.'
Zodra zij dit hoorde, stond zij vlug op en ging naar Hem toe.
Jezus was nog niet in het dorp aangeko­men, maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had.
Toen de Joden die met Maria in huis waren om haar te troosten, haar plotse­ling zagen opstaan en weggaan, volgden zij haar in de mening dat zij naar het graf ging om daar te wenen.
Toen Maria op de plaats kwam waar Jezus zich bevond, viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei: 'Heer, als Gij hier was geweest zou mijn broer niet gestorven zijn.'
Toen Jezus haar zag wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegeko­men, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd
sprak Hij: 'Waar hebt gij hem neergelegd?' Zij zeiden Hem: 'Kom en zie, Heer.'
Jezus begon te wenen,
zodat de Joden zeiden: 'Zie eens hoe Hij van hem hield.'
Maar sommigen onder hen zeiden: 'Kon Hij, die de ogen van een blinde opende, ook niet maken dat deze niet stierf?'
Bij het graf gekomen overviel Jezus opnieuw een huivering. Het was een rotsgraf en er lag een steen voor.
Jezus zei: 'Neem de steen weg.' Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem: 'Hij riekt al, want het is al de vierde dag.'
Jezus gaf haar ten antwoord: 'Zei Ik u niet, dat gij Gods heerlijk­heid zult zien als gij gelooft?'
Toen namen zij de steen weg. Jezus sloeg de ogen ten hem en sprak: 'Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt.
Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort, maar om wille van het volk rondom Mij heb Ik dit gezegd, opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.'
Na deze woorden riep Hij met luider stem: 'Lazarus, kom naar buiten!'
De gestorvene kwam naar buiten, voeten en handen met zwachtels omwonden en met een zweetdoek om zijn gezicht. Jezus beval hun: 'Maakt hem los en laat hem gaan.'
Vele Joden, die naar Maria waren gekomen en zagen wat Hij gedaan had, geloof­den in Hem.






 
©Evangelizo.org 2001-2017