Odes van Salomo (christelijk hebreeuwse tekst van het begin van de 2e eeuw)
nr 42

"De doden zullen de stem van Gods Zoon horen"

[Christus spreekt:]
Zij die Mij niet hebben erkend,
hebben daar geen heil van gehad;
Ik was verborgen voor hen die Mij niet bezaten.
Ik ben dicht bij hen die Me liefhebben.
Al mijn achtervolgers zijn dood;
allen die wisten dat ik leef, hebben Mij gezocht .
Ik ben verrezen, Ik ben met hen.
Ik spreek door hun mond.
Ze hebben hen die hen vervolgden weggeduwd;
op hun heb Ik het juk van mijn liefde gelegd.
Zoals de arm van de verloofde op zijn geliefde ligt (cf Hoogl 2,6),
zo ligt mijn juk op hen die Mij kennen.
Zoals een tent voor verloofden opgezet is bij de verloofde,
beschermt mijn liefde hen die in Mij geloven.

Ik ben zelfs niet verworpen,
wanneer Ik dat leek te zijn.
Ik ben niet ten onder gegaan
zelfs als ze zich dat hadden verbeeld.
Het dodenverblijf heeft me gezien en het is overwonnen,
de dood heeft Me laten vertrekken en velen met Mij.
Ik was voor haar gal en azijn;
Ik ben met haar in haar verblijf
nedergedaald, zo diep als het was.
De dood is verflauwd,
ze heeft mijn Gelaat niet kunnen verdragen.

Ik heb onder de doden
een bijeenkomst van levenden gehouden (1P3,19.4,6).
Ik heb tot hen gesproken met levende lippen,
waardoor mijn woord niet ijdel was.
Zij die dood waren zijn naar Me toe gerend;
ze hebben geroepen en gezegd: “Heb medelijden met ons,
Zoon van God, wees ons genadig.
Laat ons uit de duisternis gaan
open voor ons de deur, opdat we met U kunnen vertrekken.
Wij zien dat onze dood
U niet genaderd is.
Laten we bevrijd zijn, wij met U
want U bent onze Verlosser”.

Ik heb hun stem gehoord,
hun geloof, en Ik heb het in mijn hart bewaard.
Op hun voorhoofden heb Ik mijn Naam gezet (Ap 14,1);
ze zijn vrij en ze behoren Mij toe.
Halleluja!