Zaterdag in week 10 door het jaar
Uit het 1e boek der Koningen 19,19-21.
Elisa liet de ossen in de steek, liep Elia achterna en zei: “Laat mij eerst afscheid nemen van mijn vader en mijn moeder;
dan zal ik u volgen.” Hij antwoordde hem: “Ga maar weer terug; heb ik je soms tot iets verplicht?”
Hierop ging Elisa naar de ossen terug, slachtte er twee, kookte het vlees op het hout van de jukken
en gaf het aan het werkvolk te eten. Daarna vertrok hij, volgde Elia en werd zijn dienaar.
Psalmen 16(15),1-2a.5.7-8.9-10.
Gij zijt mijn Heer ik erken het.
De Heer is mijn erfdeel, mijn dronk uit de beker,
Hij heeft mijn lot voor in zijn hand.
Ik dank de Heer die mij altijd geleid heeft,
Hij spreekt ook des nachts tot mijn hart.
Steeds houd ik mijn ogen gericht op de Heer
ik val niet, want Hij staat naast mij.
Daarom ben ik vrolijk en blij van geest
daarom kan ik rustig gaan slapen.
Mijn ziel laat Gij niet aan het dodenrijk over
Gij levert mij niet uit aan het graf
Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 5,33-37.
Maar Ik zeg u in het geheel niet te zweren; noch bij de hemel, want dat is de troon van God;
noch bij de aarde, want dat is zijn voetbank; noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote Koning.
Ook bij uw hoofd moet gij niet zweren, want gij kunt niet een haar wit of zwart maken.
Maar uw ja moet ja zijn en uw neen, neen; en wat daar nog bij komt, is uit den boze.
Zalig wie de waarheid spreekt!
Jezus Christus zegt ons dat we moeten oppassen dat we niet omgaan met iemand die bedrieglijk is in woord of daad. Inderdaad, broeders en zusters, we zien dat niets een christen, die een trouwe navolger moet zijn van zijn God, die gerechtigheid en waarheid is, meer onwaardig is dan het ene te denken en het andere te zeggen. Daarom raadt Jezus Christus ons in het evangelie aan om nooit te liegen: "Zeg ja of nee, het is of het is niet". (Mt 5,37) De heilige Petrus zegt ons dat we moeten zijn als kleine kinderen, die eenvoudig en oprecht zijn, vijanden van alle leugens en alle bedrog (vgl. 1P 2,2). (...) Laten we de leugen bekijken in relatie tot onze waardigheid als christenen; wij, mijn broeders en zusters, die door het doopsel tempels zijn geworden van de heilige Geest, die de vijand is van alle leugens, helaas, mijn broeders en zusters, zodra we de pech hebben te liegen, verlaat de heilige Geest ons en verlaat ons, en de duivel neemt zijn plaats in en wordt onze meester. Dit, mijn broeders en zusters, zijn de trieste gevolgen en de vreselijke verwoestingen die leugens teweegbrengen bij hen die zo blind zijn om ze te begaan. En toch, mijn broeders en zusters, komen deze zonden veel voor in de wereld (...) Wat moeten we hieruit concluderen? Dit. Dat is dat we er nooit aan moeten wennen het liegen, want als je er eenmaal aan gewend bent, kom je er niet meer vanaf; je moet oprecht en waarachtig zijn in alles wat je zegt en doet. Als mensen ons niet willen geloven, laat ze dan! (...) Mijn broeders en zusters, hoe kunnen we onze tong, die besprenkeld is met het kostbare bloed van Jezus Christus, en onze mond, die zo vaak gediend heeft als tabernakel voor het aanbiddelijke lichaam van Jezus Christus, gebruiken om te liegen? O mijn God, als we aan dit alles zouden denken, zouden we dan zo moedig zijn? Gelukkig, mijn broeders en zusters, de mens die eenvoudig handelt en altijd de waarheid spreekt! Dat is het geluk dat ik jullie toewens.
H. Jean-Marie Vianney (1786-1859)
priester, pastoor van Ars